- VAGEVUUR
- Plaats waar de overledenen de - na de vergiffenis in de biecht nog
resterende - straffen voor hun zonden uitboeten, alvorens tot de hemel
toegelaten te worden. Als Latijns purgatorium (zuiverend vuur) komt dit
begrip al bij de vroegste kerkelijke schrijvers voor, o.a. bij Augustinus
(Enchiridion 69, Migne Patr. Lat. 40, 265). De Franse, Engelse (etc.) talen
hebben de Latijnse term overgenomen (purgatoire, purgatory),
terwijl het Nederlandse woord reeds in het Middelnederlands Veghevuer was (WNT
XVIII, 209-211 & 1059-1070), samengesteld uit Veeg = ten sterve gedoemd,
sterfelijk (vgl. het vege lijf) en Vuur (Duits Feghefeuer).
- Zie: aflaat, gelovige
zielen.
- Zie ook: hel.
-
- VASTEN
- Het zich geheel of gedeeltelijk onthouden van spijs of drank, soms als
boetedoening, soms ter gedachtenis aan het lijden van Christus. Niet te
verwarren met onthouding.
De grote of 40-daagse vasten duurt van Aswoensdag
tot Pasen.
- Zie ook: quatertemperdagen.
-
- VASTENAVOND
- Zie: Aswoensdag,
carnaval.
-
- VASTENBRIEF
- Schrijven van de bisschop(pen) aan de gelovigen ter gelegenheid van het
begin van de 40-daagse vasten, meestal over een actueel onderwerp.
- Zie ook: bisschop,
mandement.
-
- VASTENDOEK
- Zie: hongerdoek.
-
- VASTENMEDITATIE
- Overweging of preek tijdens de 40-daagse vasten,
vooral vóór de tweede wereldoorlog dinsdagsavonds over de radio populair.
-
- VASTENTROMMELTJE
- Doosje waarin kinderen tijdens de vasten hun
snoep opspaarden.
-
- VATICAAN
- Politiek onafhankelijke stadstaat in het centrum van Rome, waar - naast
musea, bibliotheken, studiehuizen, enz. - in de eerste plaats de zetel van het
bestuur der katholieke kerk is gevestigd met aan het hoofd de paus.
- Zie ook: camerlengo,
conclaaf,
congregatie,
kerkelijke
staat, nuntius,
pauselijke
staat, pauskeuze,
sede
vacante, suisse.
-
- VATICAANS CONCILIE
- Oecumenisch concilie dat van 1869 tot 1870 als Vaticanum I en van 1959/'60
tot 1965 als Vaticanum II te Rome gehouden is.
-
- VATICANA
- Voornaamste Vaticaanse bibliotheek met o.a. 55000 handschriften en 7000
incunabelen.
-
- VEELVULDIGE COMMUNIE
- Zie: communie.
-
- VEERTIG-UREN-GEBED
- Openbare aanbidding
van het ten toon gestelde heilig
sacrament gedurende 40 uren achtereen, eventueel met nachtelijke
onderbreking.
- Zie: altijddurende
aanbidding.
-
- VELUM
- Latijn: verhulling: (1) langwerpige schouderdoek voor het vasthouden of
dragen van een monstrans;
(2) zijden of linnen omhulsel van een ciborie
met geconsacreerde hosties.
- Zie: hostie.
-
- VENI CREATOR
- Latijn: kom Schepper: naam en beginwoorden van bekende lofzang tot de
heilige Geest.
-
- VENI SANCTE SPIRITUS
- Latijn: kom heilige Geest: naam en beginwoorden van bekende lofzang tot de
heilige Geest.
-
- VERANDERLIJKE FEESTDAGEN
- Zie: roerende
feestdagen.
-
- VERERING
- Het eer brengen aan of aanroepen van heiligen, in tegenstelling tot het
aanbidden dat zich uitsluitend tot God richt.
- Zie: aanbidden,
aanroepen.
-
- VERGIFFENIS DER ZONDEN
- De erfzonde
wordt vergeven door het doopsel,
de zware (dood) zonden door de biecht, de
lichte (dagelijkse) zonden door de biecht of door gebed en rechtvaardig leven.
- Zie: doodzonde,
dagelijkse
zonde.
-
- VERLOSSING
- Door menswording en kruisdood heeft Christus de erfzonde
en alle andere zonden van heel de mensheid zodanig volledig uitgeboet dat
eenieder die er zich voor openstelt met God verzoend en verlost kan worden.
- Zie ook: doopsel.
-
- VERONICADOEK
- Zie: zweetdoek.
-
- VERRIJZENIS DES VLESES
- De algehele opstanding van alle mensen uit de dood en het laatste oordeel
op het einde der tijden.
-
- VERSCHIJNING DES HEREN
- Zie: Driekoningen.
-
- VERSTERVEN
- Het zich ontzeggen van - dus sterven aan - materiële of geestelijke
genoegens om tot grotere geestelijke zelfbeheersing en inkeer te komen.
-
- VERZAKEN
- Synoniem van afzweren, verloochenen, als in: ik verzaak de duivel.
-
- VERZOENING
- Zie: verlossing.
-
- VESPERALE
- Liturgisch boek met de psalmen
van de vespers.
- Zie: getijden.
-
- VESPERS
- Zie: getijden.
-
- VEXILLA REGIS
- Latijn, banier des konings: beginwoorden van bekende hymne uit de
lijdensweek.
- Zie: Goede
Week, Goede
Vrijdag.
-
- VIATICUM
- Zie: teerspijze.
-
- VICARIS
- Algemene term voor plaatsvervanger.
- Zie ook: coadjutor.
-
- VICARIS GENERAAL
- Eerste assistent en plaatsvervanger van bisschop.
-
- VIDI AQUAM
- Latijn: ik heb water (zien vloeien): beginwoorden van liturgisch
paasgezang, naar Ezekiël 47,1.
-
- VIJF GEBODEN DER HEILIGE KERK
- 1. Verplichte feestdagen vieren als zondag.
- 2. op zondagen en verplichte feestdagen de mis bijwonen
en geen zware (vroeger 'slafelijke') arbeid verrichten.
- 3. Zich houden aan vasten- en
onthoudingsdagen.
- 4. minstens eenmaal per jaar biechten.
- 5. in de paastijd
te communie
gaan.
-
- VISIOEN
- Bovennatuurlijk schouwen van personen of zaken die op natuurlijke wijze
niet waargenomen of verklaard kunnen worden.
-
- VISSERSRING
- Pauselijke zegelring met de afbeelding van de vissende sint Petrus
(Mattheus 4, 19 enz.), gebruikt voor het bezegelen van pauselijke documenten.
- Zie: paus.
-
- VOEDSTERVADER
- Eretitel van St. Jozef die niet Jezus' biologische vader was.
-
- VOETGEBED
- Eerste gebed aan de voet van het altaar in
de Latijnse mis met de
eerste verzen van psalm 42 (1 tot 5).
-
- VOETKUS
- Kus op de voet of de neus van de schoen als eerbetuiging, b.v. ter
begroeting van de paus.
-
- VOETWASSING
- Optioneel onderdeel van de liturgie op Witte
Donderdag in navolging van de voetwassing der apostelen door Jezus vóór
het Laatste
Avondmaal (Johannes 13, 5-9).
-
- VOLKSMISSIE
- Zie: missie.
-
- VOLLE AFLAAT
- Zie: aflaat.
-
- VOORAFBEELDING
- Of voorafschaduwing: het in oudtestamentische beelden en woorden
aankondigen van komst en zegeningen van Jezus als verlosser.
-
- VOORGEBORCHTE
- Letterlijk Voorburcht, Voorstad (zie Woordenboek der Nederlandsche Taal
XXII, 1, 1778-1780): in theologische zin het voorportaal van de hel (Latijn:
limbus). Het voorgeborchte is een bedachte constructie, door de kerk
als authentiek aanvaard, om de verblijfplaats te omschrijven van allen die
buiten hun persoonlijke zondenschuld, maar wel belast met de erfzonde
door dat laatste niet in de hemel maar ook niet in de hel thuis horen. Dit
geldt in de eerste plaats voor alle rechtvaardigen van de oudtestamentische
tijd die op de kruisdood van Christus hebben moeten wachten tot zij met Hem
mochten verrijzen tot hun hemels geluk. In de tweede plaats geldt dit - en dan
blijvend - voor alle niet gedoopte kleine kinderen die niet door het
zogenaamde doopsel van begeerte de hemel deelachtig werden.
- Zie ook: doopsel,
nederdaling
ter helle, vagevuur.
-
- VORMSEL
- Sacrament, toegediend door handoplegging
en zalving van de bisschop,
dat kracht geeft om het geloof volwassen te beleven en te belijden.
- Zie: chrisma,
sacramenten.
-
- VORSTEN
- Zie: engelen.
-
- VOTIEF
- Van Latijn: votum, gelofte en belofte: dat wat beloofd en daarna
ingelost is, vaak als eerste lid van samenstellingen zoals votiefaltaar,
votiefkaars, votiefkerk, votieflamp, votiefmis, enz.
- Zie ook: altaar, mis.
-
- VREEMDE ZONDEN
- Zonden waardoor men zich schuldig maakt aan zonden van anderen.
-
- VULGAAT
- Latijnse vertaling van de Heilige Schrift, gemaakt tussen 384 en 405 door
de heilige Hiëronymus, en in geamendeerde en bij de tijd gebrachte vorm als
officiële tekst door de kerk erkend.
|